< السورة السابقة | فهرس السور | السورة التالية >



حدد حجم خط الآيات
()


بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ إِذَا وَقَعَتِ ٱلْوَاقِعَةُ ۝١

Als de onvermijdelijke dag des oordeels plotseling zal komen.

لَيْسَ لِوَقْعَتِهَا كَاذِبَةٌ ۝٢

Zal geene ziel de voorspelling zijner komst van valschheid beschuldigen.

خَافِضَةٌۭ رَّافِعَةٌ ۝۳

Sommigen zullen daardoor vernederd, en anderen verheven worden.

إِذَا رُجَّتِ ٱلْأَرْضُ رَجًّۭا ۝٤

Als de aarde door een hevigen schok zal geschud worden.

وَبُسَّتِ ٱلْجِبَالُ بَسًّۭا ۝٥

En de bergen in stukken zullen springen.

فَكَانَتْ هَبَآءًۭ مُّنۢبَثًّۭا ۝٦

En als weggeblazen stof zullen worden.

وَكُنتُمْ أَزْوَٰجًۭا ثَلَٰثَةًۭ ۝۷

En gij, menschen, in drie duidelijke klassen zult verdeeld worden.

فَأَصْحَٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ ۝۸

De makkers van de rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen).

وَأَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ ۝۹

En de makkers der linkerhand, (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn);

وَٱلسَّٰبِقُونَ ٱلسَّٰبِقُونَ ۝١۰

En zij, die anderen in het geloof zijn voorgegaan, zullen hen in het paradijs voorafgaan.

أُو۟لَٰٓئِكَ ٱلْمُقَرَّبُونَ ۝١١

Dat zijn zij, die God zullen naderen.

فِى جَنَّٰتِ ٱلنَّعِيمِ ۝١٢

Zij zullen in tuinen van vermaak wonen.

ثُلَّةٌۭ مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ ۝١۳

Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.

وَقَلِيلٌۭ مِّنَ ٱلْءَاخِرِينَ ۝١٤

En enkelen van den lateren zijn.

عَلَىٰ سُرُرٍۢ مَّوْضُونَةٍۢ ۝١٥

Rustende op zetels met goud en edelgesteenten versierd.

مُّتَّكِـِٔينَ عَلَيْهَا مُتَقَٰبِلِينَ ۝١٦

En tegenover elkander daarop zittende.

يَطُوفُ عَلَيْهِمْ وِلْدَٰنٌۭ مُّخَلَّدُونَ ۝١۷

Jonge lieden, die eeuwig jong zullen blijven, zullen om hen heen gaan, om hen te bedienen.

بِأَكْوَابٍۢ وَأَبَارِيقَ وَكَأْسٍۢ مِّن مَّعِينٍۢ ۝١۸

Met bekers, kroezen en schalen met vloeienden wijn.

لَّا يُصَدَّعُونَ عَنْهَا وَلَا يُنزِفُونَ ۝١۹

Hunne hoofden zullen geen pijn gevoelen, door dien te drinken, en hun verstand zal niet beneveld worden.

وَفَٰكِهَةٍۢ مِّمَّا يَتَخَيَّرُونَ ۝٢۰

En met vruchten, van de soorten, welke zij zullen kiezen.

وَلَحْمِ طَيْرٍۢ مِّمَّا يَشْتَهُونَ ۝٢١

En het vleesch van de vogelsoort, welke zij zullen begeeren.

وَحُورٌ عِينٌۭ ۝٢٢

Daar zullen zij door schoone maagden worden vergezeld,

كَأَمْثَٰلِ ٱللُّؤْلُؤِ ٱلْمَكْنُونِ ۝٢۳

Met groote, zwarte oogen, gelijkende op paarlen, die in hare schelpen verborgen zijn.

جَزَآءًۢ بِمَا كَانُوا۟ يَعْمَلُونَ ۝٢٤

Dit zal een belooning wezen, voor hetgeen zij zullen hebben verricht.

لَا يَسْمَعُونَ فِيهَا لَغْوًۭا وَلَا تَأْثِيمًا ۝٢٥

Daar zullen zij geene ijdele gesprekken hooren of eenige aansporing tot zonde.

إِلَّا قِيلًۭا سَلَٰمًۭا سَلَٰمًۭا ۝٢٦

Maar alleen de begroeting: Vrede! vrede!

وَأَصْحَٰبُ ٱلْيَمِينِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلْيَمِينِ ۝٢۷

En de makkers der rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen!)

فِى سِدْرٍۢ مَّخْضُودٍۢ ۝٢۸

Zullen hun verblijf houden onder lotusboomen, vrij van doornen.

وَطَلْحٍۢ مَّنضُودٍۢ ۝٢۹

En banaan-boomen, geregeld beladen met hunne voortbrengselen, van den top tot den stam.

وَظِلٍّۢ مَّمْدُودٍۢ ۝۳۰

In de uitgebreide schaduw.

وَمَآءٍۢ مَّسْكُوبٍۢ ۝۳١

Nabij een stroomend water.

وَفَٰكِهَةٍۢ كَثِيرَةٍۢ ۝۳٢

En te midden van een overvloed van vruchten.

لَّا مَقْطُوعَةٍۢ وَلَا مَمْنُوعَةٍۢ ۝۳۳

Welke niemand zal afsnijden, en waarvan de inzameling niet zal verboden zijn.

وَفُرُشٍۢ مَّرْفُوعَةٍ ۝۳٤

En zij zullen op verheven bedden uitrusten.

إِنَّآ أَنشَأْنَٰهُنَّ إِنشَآءًۭ ۝۳٥

Waarlijk, wij hebben de maagden van het paradijs door eene bijzondere schepping gevormd;

فَجَعَلْنَٰهُنَّ أَبْكَارًا ۝۳٦

En wij hebben haar tot maagden gemaakt.

عُرُبًا أَتْرَابًۭا ۝۳۷

Bemind door hare echtgenooten, die van gelijken ouderdom met haar zijn.

لِّأَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ ۝۳۸

Tot de geneugten der makkers van de rechterhand.

ثُلَّةٌۭ مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ ۝۳۹

Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.

وَثُلَّةٌۭ مِّنَ ٱلْءَاخِرِينَ ۝٤۰

En velen van den lateren zijn.

وَأَصْحَٰبُ ٱلشِّمَالِ مَآ أَصْحَٰبُ ٱلشِّمَالِ ۝٤١

En de makkers van de linkerhand (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn).

فِى سَمُومٍۢ وَحَمِيمٍۢ ۝٤٢

Zullen wonen te midden van brandende, verpestende winden en kokend water.

وَظِلٍّۢ مِّن يَحْمُومٍۢ ۝٤۳

Onder de schaduw van zwarten rook.

لَّا بَارِدٍۢ وَلَا كَرِيمٍ ۝٤٤

Die noch koel, noch aangenaam zal wezen.

إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَبْلَ ذَٰلِكَ مُتْرَفِينَ ۝٤٥

Want zij genoten de genoegens van het leven, vóór dit, terwijl zij op de aarde waren.

وَكَانُوا۟ يُصِرُّونَ عَلَى ٱلْحِنثِ ٱلْعَظِيمِ ۝٤٦

En zij volhardden stijfhoofdig in eene hatelijke zondigheid.

وَكَانُوا۟ يَقُولُونَ أَئِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًۭا وَعِظَٰمًا أَءِنَّا لَمَبْعُوثُونَ ۝٤۷

En zij zeiden: Nadat wij zullen gestorven, en tot stof en beenderen geworden zijn, zullen wij dan zekerlijk tot het leven worden opgewekt?

أَوَءَابَآؤُنَا ٱلْأَوَّلُونَ ۝٤۸

Zullen onze vaderen ook met ons worden opgewekt?

قُلْ إِنَّ ٱلْأَوَّلِينَ وَٱلْءَاخِرِينَ ۝٤۹

Zeg: waarlijk, zoowel de vroegeren als de lateren.

لَمَجْمُوعُونَ إِلَىٰ مِيقَٰتِ يَوْمٍۢ مَّعْلُومٍۢ ۝٥۰

Zullen zekerlijk op den vooraf bepaalden tijd van een bekenden dag worden bijeen verzameld, om geoordeeld te worden.

ثُمَّ إِنَّكُمْ أَيُّهَا ٱلضَّآلُّونَ ٱلْمُكَذِّبُونَ ۝٥١

En gij, o menschen! die gedwaald, en de opstanding als eene valschheid geloochend hebt.

لَءَاكِلُونَ مِن شَجَرٍۢ مِّن زَقُّومٍۢ ۝٥٢

Gij zult zekerlijk eten van de vrucht des booms van al Zakkoem.

فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ ۝٥۳

Gij zult uwen buik daarmede vullen.

فَشَٰرِبُونَ عَلَيْهِ مِنَ ٱلْحَمِيمِ ۝٥٤

En gij zult daar kokend water drinken.

فَشَٰرِبُونَ شُرْبَ ٱلْهِيمِ ۝٥٥

Gij zult drinken, zooals een dorstige kameel drinkt.

هَٰذَا نُزُلُهُمْ يَوْمَ ٱلدِّينِ ۝٥٦

Dit zal hunne uitspanning op den dag des oordeels zijn.

نَحْنُ خَلَقْنَٰكُمْ فَلَوْلَا تُصَدِّقُونَ ۝٥۷

Wij hebben u geschapen; wilt gij dus niet gelooven, dat wij u van den dood kunnen opwekken? Wat denkt gij?

أَفَرَءَيْتُم مَّا تُمْنُونَ ۝٥۸

Het zaad dat gij uitwerpt.

ءَأَنتُمْ تَخْلُقُونَهُۥٓ أَمْ نَحْنُ ٱلْخَٰلِقُونَ ۝٥۹

Schept gij dat, of zijn wij er de schepper van?

نَحْنُ قَدَّرْنَا بَيْنَكُمُ ٱلْمَوْتَ وَمَا نَحْنُ بِمَسْبُوقِينَ ۝٦۰

Wij hebben voor u allen den dood bepaald, en wij zullen daarin door niemand worden belet.

عَلَىٰٓ أَن نُّبَدِّلَ أَمْثَٰلَكُمْ وَنُنشِئَكُمْ فِى مَا لَا تَعْلَمُونَ ۝٦١

Wij zijn in staat anderen, gelijk gij in uw plaats te stellen, en u terug te brengen in den toestand of den vorm, dien gij niet kent.

وَلَقَدْ عَلِمْتُمُ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُولَىٰ فَلَوْلَا تَذَكَّرُونَ ۝٦٢

Gij kent de schepping; wilt gij dus niet overwegen, dat wij u, door u op te wekken, weder kunnen voortbrengen?

أَفَرَءَيْتُم مَّا تَحْرُثُونَ ۝٦۳

Wat denkt gij? Het graan dat gij zaait.

ءَأَنتُمْ تَزْرَعُونَهُۥٓ أَمْ نَحْنُ ٱلزَّٰرِعُونَ ۝٦٤

Doet gij dat uitbotten, of doen wij dat voortspruiten?

لَوْ نَشَآءُ لَجَعَلْنَٰهُ حُطَٰمًۭا فَظَلْتُمْ تَفَكَّهُونَ ۝٦٥

Indien het ons behaagde, waarlijk, wij konden het droog en onvruchtbaar maken, zoodat gij niet zoudt ophouden u te verwonderen, zeggende:

إِنَّا لَمُغْرَمُونَ ۝٦٦

Waarlijk, wij hebben verbintenissen aangegaan voor zaad en arbeid,

بَلْ نَحْنُ مَحْرُومُونَ ۝٦۷

Maar het is ons niet geoorloofd, de vruchten daarvan te oogsten.

أَفَرَءَيْتُمُ ٱلْمَآءَ ٱلَّذِى تَشْرَبُونَ ۝٦۸

Wat denkt gij? Het water dat gij drinkt.

ءَأَنتُمْ أَنزَلْتُمُوهُ مِنَ ٱلْمُزْنِ أَمْ نَحْنُ ٱلْمُنزِلُونَ ۝٦۹

Zendt gij dat uit de wolken neder, of zenden wij het?

لَوْ نَشَآءُ جَعَلْنَٰهُ أُجَاجًۭا فَلَوْلَا تَشْكُرُونَ ۝۷۰

Indien het ons behaagde, zouden wij het brak kunnen maken. Zult gij dus niet dankbaar wezen?

أَفَرَءَيْتُمُ ٱلنَّارَ ٱلَّتِى تُورُونَ ۝۷١

Wat denkt gij? Het vuur, dat gij door wrijving verkrijgt,

ءَأَنتُمْ أَنشَأْتُمْ شَجَرَتَهَآ أَمْ نَحْنُ ٱلْمُنشِـُٔونَ ۝۷٢

Brengt gij den boom voort, waardoor gij dat doet ontstaan? Of brengen wij dien voort?

نَحْنُ جَعَلْنَٰهَا تَذْكِرَةًۭ وَمَتَٰعًۭا لِّلْمُقْوِينَ ۝۷۳

Wij hebben dit als eene vermaning bevolen en tot een voordeel voor hen, die door de woestijnen reizen.

فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ ۝۷٤

Prijst dus den naam van uwen Heer, den grooten God.

۞ فَلَآ أُقْسِمُ بِمَوَٰقِعِ ٱلنُّجُومِ ۝۷٥

Ik zweer echter, bij het ondergaan der sterren.

وَإِنَّهُۥ لَقَسَمٌۭ لَّوْ تَعْلَمُونَ عَظِيمٌ ۝۷٦

(En waarlijk, dit is een groote eed, indien gij het slechts wist!)

إِنَّهُۥ لَقُرْءَانٌۭ كَرِيمٌۭ ۝۷۷

Dat dit de uitmuntende Koran is.

فِى كِتَٰبٍۢ مَّكْنُونٍۢ ۝۷۸

Waarvan het oorspronkelijke in het welbewaarde boek is geschreven.

لَّا يَمَسُّهُۥٓ إِلَّا ٱلْمُطَهَّرُونَ ۝۷۹

Niemand zal het aanraken, behalve zij, die rein zijn.

تَنزِيلٌۭ مِّن رَّبِّ ٱلْعَٰلَمِينَ ۝۸۰

Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.

أَفَبِهَٰذَا ٱلْحَدِيثِ أَنتُم مُّدْهِنُونَ ۝۸١

Zult gij dus deze nieuwe openbaring verachten?

وَتَجْعَلُونَ رِزْقَكُمْ أَنَّكُمْ تُكَذِّبُونَ ۝۸٢

En is dit uwe vergelding voor uw voedsel, hetwelk gij van God ontvangt, dat gij u zelven loochent, hem daarvoor verplicht te zijn?

فَلَوْلَآ إِذَا بَلَغَتِ ٱلْحُلْقُومَ ۝۸۳

Als de ziel van een stervend mensch tot zijne keel opstijgt.

وَأَنتُمْ حِينَئِذٍۢ تَنظُرُونَ ۝۸٤

En gij op hetzelfde oogenblik rond ziet.

وَنَحْنُ أَقْرَبُ إِلَيْهِ مِنكُمْ وَلَٰكِن لَّا تُبْصِرُونَ ۝۸٥

(En wij zijn hem nader dan gij; maar gij ziet zijn waren toestand niet).

فَلَوْلَآ إِن كُنتُمْ غَيْرَ مَدِينِينَ ۝۸٦

Zoudt gij dan niet, indien gij hier namaals niet voor uwe daden werdt vergolden.

تَرْجِعُونَهَآ إِن كُنتُمْ صَٰدِقِينَ ۝۸۷

Die in het lichaam doen terugkeeren, indien gij de waarheid spreekt?

فَأَمَّآ إِن كَانَ مِنَ ٱلْمُقَرَّبِينَ ۝۸۸

En voor hem die tot degenen behoort, welke God zullen naderen.

فَرَوْحٌۭ وَرَيْحَانٌۭ وَجَنَّتُ نَعِيمٍۢ ۝۸۹

Zal de belooning zijn, rust, genade en een tuin van vermaak.

وَأَمَّآ إِن كَانَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ ۝۹۰

En behoort hij tot de makkers der rechterhand.

فَسَلَٰمٌۭ لَّكَ مِنْ أَصْحَٰبِ ٱلْيَمِينِ ۝۹١

Dan zal hij gegroet worden met de begroeting: Vrede zij over u! door de makkers der rechterhand, zijne broeders.

وَأَمَّآ إِن كَانَ مِنَ ٱلْمُكَذِّبِينَ ٱلضَّآلِّينَ ۝۹٢

Of, indien hij tot hen behoort, die het ware geloof (den profeet) verworpen hebben. En afgedwaald zijn.

فَنُزُلٌۭ مِّنْ حَمِيمٍۢ ۝۹۳

Zijn voedsel zal kokend water wezen.

وَتَصْلِيَةُ جَحِيمٍ ۝۹٤

En de verbranding door het hellevuur.

إِنَّ هَٰذَا لَهُوَ حَقُّ ٱلْيَقِينِ ۝۹٥

Waarlijk, dit is een zekere waarheid.

فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ ۝۹٦

Daarom prijst den naam van uwen Heer, den grooten God.